Noordhoornseweg

door Joep van Leeuwen

 

Ik ben geboren en opgegroeid in het buurtje naast het Bonte Huis. Met als buren: Ome Geer van Vliet, Ome Jan van Leeuwen, Bert Marrewijk en Nol Marrewijk later Kees v/d Burg.                                         

 

Het gedeelte van de Noordhoornseweg na de Sionbrug was in de jaren 50/60 nog een doodlopende B-weg die onderhouden moest worden door de aanwonenden. Het was een weg vol met putten en kuilen die af en toe werden aangevuld met koolas,dit is verbrande vetkool die gestookt werd in de ketels voor de kasverwarming en met stukgeslagen puin. Dit scherpe spul, daar fietsten wij overheen naar school dus je begreep dat was elke week wel een paar keer banden plakken.

 

De gemeente kwam bij ons ook geen vuil ophalen dus het brandbare afval werd op een hoop gegooid en in de fik gestoken de rest werd eerst achter de tuinmuur en daarna in het water gedeponeerd. Om de paar jaar kwam de baggermolen met zijn emmertjes om de vaargeul weer uit te baggeren en zo de sloot op diepte te houden voor de “Westlanders” en andere vaartuigen. Deze grote schuiten vervoerden de groenten en fruit vanuit de Westlandse veilingen naar Rotterdam met in het ruim de groenten en op het dek de druiven, perziken en meloenen, een lust voor het oog. Als ze zomers langs vaarden dan rook je de geur van het fruit. Bekende schippersnamen waren: gebr.Bol, Zuiderwijk, van Wingerden en Vis.  Aan deze buurt achteraf kwamen ook veel leveranciers aan de deur zoals groenteboer Bert van Velzen, Arend van Geest, diverse bakkers: Joop Hoek, Warmehoven,  Holtkamp en van Velzen.

 

Zo hadden wij op een zomerse dag een ondergrondse hut gebouwd in de voortuin bij Ome Jan en daar kwam Arie Vermeulen van bakkerij Holtkamp met zijn motorcarrier aangetuft, zette zijn bak neer voor Bert Marrewijks huis, laadde zijn mand vol met brood en liep fluitend naar de achterdeur. Nou, wij onschuldige knaapjes, wilden ook wel eens in de broodbak kijken, lichtte de klep en daar lagen de krentenbollen en eierkoeken ons al toe te lachen. Als kind denk je niet lang na dus de een pakte een eierkoek en de ander een krentenbol toen iemand een gil gaf:  “Daar komt ie”!!  Ik had nog niets genomen en in de paniek nam ik een hap uit een wittebrood en we vlogen snel weer terug naar onze veilige hut. Verbaasd keek de bakker in zijn broodvoorraad en zag het brood met een gat erin liggen. Na even rondvragen door Arie heeft mijn moeder het brood maar afgerekend, wij kregen een standje maar we hebben wel lekker 2 dagen wittebrood gegeten.

 

Ja, ook bij  buurman Bert Marrewijk gebeurde nog wel eens wat. Zo kon het gebeuren dat mijn zus Ank aan het spelen was bij Bram en Helma. Moeder Riet Marrewijk was, zoals zo vaak, bezig in de tuin Bert aan het helpen in de komkommers. Kinderen moesten op elkaar passen. Zo kwam er een op het illustere idee om kappertje te gaan spelen en ja, daar lag kleine Andre in de box getooid met een prachtig mooie baby krul waar moeders zo haar best op had gedaan. Nou, dat duurde niet lang of de schaar deed zijn werk en Andre had weer een plat schedeldakje. Toen Riet thuis kwam zag ze de krul op de bodem van de box liggen en Andre met een glad koppie. Ze schrok zich een hoedje en ging bij mijn moeder verhaal halen. Ank beloofde hierna het nooit meer te zullen doen.!!!  

 

Een ander markant figuur die regelmatig bij ons langskwam was Piet v/d Berg, beter bekend als Pietje de olieboer. Altijd gekleed in zijn zwarte Manchester pak, stinkend naar de petroleum, kort en gedrongen mannetje, alpinomutsje op, guitige oogjes, immer opgewekt, snorretje en een dikke buik. In die tijd waren er nog petroleumkachels en werd er door sommigen nog gekookt op petroleumstelletjes, olie werd ook gebruikt om de kachel aan te maken of vuur te stoken Met zijn brommertje afgeladen met kannen kwam hij dan langs en vertelde ons dan met een knipoog: “luister goed: als je krullen in je haar wil moet je er petroleum in smeren, dat heb ik ook gedaan” waarna hij lachend zijn mutsje optilde waarbij zijn glimmend kale kopje zichtbaar werd, er stond geen haar meer op!!  Piet had geen portemonnee. Als mijn moeder afrekende droeg hij altijd een rond blauw Buisman blikje bij zich waar hij zijn geld in bewaarde. Ja, het was altijd lachen met Piet.

 

De boodschappenlijst werd genoteerd door van Velzen (Sperwer) of Niek Schenkeveld van de Vege. De ene middag werden de bestelboekjes ingevuld en de volgende middag werd de boodschappen bezorgd. Bij de Vege hadden ze van de Victrix een verrassingspakket, dit was een groot pak custardpoeder waar naast de zak custard nog een kleine verassing was mee verpakt. Om beurten mochten wij het pak openmaken en kreeg je de verrassing. Wij waren met zijn vijven thuis dus er is nog nooit zoveel     custardpudding gegeten in die jaren.

 

Bakker Joop Hoek bezorgde ook in Sion, hij zette zijn wagen dan aan het Bonte Huis en laadde zijn broden over in  zijn mandefiets die gestald stond in het prieeltje bij Tante Mien. Nou was Joop nogal liefhebber van een borreltje en een fiets bij het cafe stallen is als de beer bij de honing zetten. Als Joop na een gezellig half uurtje bij Tante Mien zijn fiets dan besteeg en over de smalle kaadjes alle tuinders woningen langs moest is het diverse keren voorgekomen dat hij de bocht net even te laat nam en alle broden in het water lagen te drijven incl. fiets en Joop.

 

Er waren in die tijd weinig communicatie middelen en Joop kwam en sprak met iedereen in de buurt. Zo kon het voorkomen dat Joop op een keer mijn moeder aansprak met de mededeling: “Heb je het gehoord, Kees Boon is overleden”. – Kees Boon was voorman op de houtfabriek Zeldenrust van Maarten Does in Sion en een heel geliefd persoon in onze buurt- . Het gerucht ging als een lopend vuurtje rond en iedereen leefde mee. Totdat een paar dagen later mijn vader thuiskwam en sprak: “Wat ik nou heb gezien heb ik nog nooit gezien, ik heb een dode zien fietsen!!  Ik zag Kees Boon” Iedereen werd snel op de hoogte gebracht en ook Kees zelf heeft er later smakelijk om moeten lachen.

 

Mooie herinneringen die je nooit meer vergeet<!

Nog meer herinneringen

Duistere zaken aan het Bonte Huis.

Het is vrijdagavond. Mijn vader is de oude veilingschuit aan het klaarmaken voor een nachtje kruisnetten. Hij steekt de hoofdboom schuin geplaatst in de houders met in top de katrol waaraan het touw van het kruisnet wordt bevestigd. Het kruisnet bestaat uit een kruis van holle buis waarin vier buigzame essen stokken worden geschoven. Aan het uiteinde van de stokken werd het net bevestigd en zo span je een vierkant van vier bij vier meter. Maar zover genoeg technische uitleg.
Zijn favoriete vast plek was het hoekje van de Rijenwatering en de Zweth. Er zijn al veel liefhebbers die hem in de loop der jaren gezelschap hebben gehouden en menige keren het net hebben opgehaald zoals: Piet de Lijster, Ben van de Berg, Bart Overdam en ook Willem Holsteijn. Als Piet zijn zwarte BMW motor in het werkhok zette durfde mijn moeder niet meer naar achter te gaan, zo bang was ze van dat donkere gevaarte. Buurman Bart Overdam woonde in het voormalige huis van Nol Marrewijk tegenover het Bonte Huis en lustte heel graag een borreltje. Hij was metselaar in de bouw. Op vrijdag ging hij vaak na het werk naar de kroeg om met zijn maten nog een afzakkertje te nemen om daarna gelijk bij mijn vader op de schuit te stappen. Het is een keer gebeurd dat hij tijdens het ophalen van het net zijn evenwicht niet langer kon bewaren en met zijn dronken kont zelf in het water lag te spartelen. De paling die erop lag konden we wel vergeten!
Stropen is verboden, dat staat in de wet. Nu was er een rechercheur in Rijswijk, heer van Dijk. Die wist dat mijn vader stroopte en hem graag wilde pakken. Een spel van kat en muis. Als, in het schijnsel van de maan, mijn vader van Dijk met zijn Belgische herder op het kaadje langs de Zweth aan zag komen lopen. – Hij was dan nog wel een paar honderd meter weg – was het zaak pijlsnel alle spullen in te pakken en als de bliksem over te varen naar de hokken op de Staal om daarna in de Harnaschpolder te verdwijnen. Direct naar huis was te riskant omdat onze rechercheur hen misschien bij het Bonte Huis al op stond te wachten. Zodoende kwam mijn vader weleens de volgende morgen wat later thuis.
Kruisnetten was niet de enige sport waar hij ondeugend in was. Hij zette fuiken, 1 en 2 vleugels, in Sion en de Harnasch polder en soms ook in de Woudse polder. Zetten in de donker en na een paar dagen ook vroeg in de morgen weer leeghalen zodat niemand er erg in had. Bij een 2 vleugel fuik zette hij soms een hele tocht af en door met een stok in het water te plonsen vanaf een paar 100 meter zo naar de fuik lopend jaagde je de vis en paling zo het net in. In de winter als er ijs lag in de polder vertrok mijn vader met zijn elger, hakbijltje en jute zakje. Paling kruipt s ’winters in de modder voor een winterslaap. Soms ademt hij en stijgt er een luchtbelletje naar het oppervlak. Als er ijs ligt blijven deze bellen onder het ijs hangen en vormen een bepaalde formatie, een teken. Aan de vorm van het teken kon hij bepalen hoe de paling in de bagger lag. Voorzichtig, met zijn buik op het ijs liggend, hakte hij dan een bijtje en stak met de elger in modder waarna de paling in de jutezak verdween. Vaak kwam hij met een goed gevulde zak paling weer naar huis.
Het nadeel voor mij was dat hij meestal aan mij vroeg of ik de paling even wilde slachten. Met een mesje en een combinatietang werden ze dan uit hun jasje geholpen en at de hele buurt lekker paling. Ik vond het altijd weer opzienbarend dat schoonmaken. Eerst kop eraf, ingewanden eruit, dan gestroopt en daarna sneed mijn moeder ze in stukken van ca. 5 cm. Liggend in een schaal, strooide ze er een beetje zout overheen en sommige stukken begonnen dan opnieuw te kronkelen en te bewegen. Tja, dat stropen had ook nog wel iets wonderbaarlijks. Mijn vader ging in het najaar ook wel jagen. Mee met een kennis die een jachtgebied had in Abtswoude en soms nam hij dan een haas mee naar huis. Die werd dan aan de balken gehangen, thuis in de schuur. Haas moet altijd een paar dagen uithangen voordat hij geslacht word. Als ik s ’avonds, in het donker, een kit kolen ging scheppen liep ik dan steevast tegen die dode haas aan want er was geen verlichting in de schuur. Vandaar dat ik daarom niet van wild eten hou, ik denk dat het daardoor is gekomen.
Mijn vader is er niet meer. Hij heeft dit stropen altijd als sport gezien en er was in die tijd genoeg wild in de polder. Zijn elger heb ik als aandenken van hem gekregen.

Een mooie herinnering.